In het rood
Het begon met Hazes.
Slapen na een nachtdienst is moeilijk. Zeker op een zolderkamer, midden in de zomer, terwijl buiten de dag begint.
Dus lag ik serieus te doen alsof ik sliep, want dan zou de echte slaap wel komen. Buiten hoorde ik wat gerommel, gevolgd door een muziekje. Het kroop zo onder de dekens mijn oren in. ‘Ach, die kruk bleef leeg. Tot ik in de gaaaaten kreeg..’
Ik probeerde hem nog te negeren, maar André lag pontificaal naast me. De benedenbuurman zong, of eerder gromde, met hem mee en draaide de volumeknop royaal open.
‘Als een kind zat ik te drooooomen.’ André zat inmiddels bovenop mij, en omdat ik het daar benauwd van kreeg deed ik het dakraam open en stak mijn hoofd naar buiten.
Schuin onder mij zag ik twee enorme boxen in de tuin staan. Ertussen: een klapstoeltje. De grommende buurman. Een biertje. Met André inmiddels om mijn nek probeerde ik me verstaanbaar te maken.
‘Buurman… ja, hierboven. Ik vind André ook heel gezellig, maar ik kom net uit de nachtdienst. Mag het iets zachter?’ De buurman keek omhoog. Dacht even. Knikte en draaide de muziek zachter. Dankjewel! Met een zucht krulde ik me weer onder de dekens.
‘Ik heb hier een brief voor m'n moeoeoeoeder. Die hoog in de heeemel is.’ Ik schoot rechtop in bed. Raam weer open. ‘Buurman…ja, daar ben ik weer. Iets zachter alsjeblieft ?’ De buurman maakte een gebaar alsof hij last had van een mug. Zette de muziek zachter. Verdween naar binnen. En ik weer naar bed.
‘Met bloed, zweet en traaaaaanen. Zei ik rot hier nu maar op.’ In één sprong was ik bij het raam. Het glas trilde. Buiten geen buurman. Alleen de stampende boxen en het biertje. In mij breekt iets. Ik weet allang wat er komt als ik in mijn kleren schiet. De rode waas is er weer. Neemt het over.
Tegen de tijd dat ik naar het huis van de buurman been ben ik twee keer zo groot. Onverwoestbaar. In mij is het koud. Ik denk en voel niks meer. Ik bel aan. De deur blijft dicht. Ik druk weer op de bel. Wel een minuut.
Net voor ik op de deur wil gaan bonzen doet hij open. Deur op een kier. Ik zie iets van onzekerheid. Verder is alles rood. Ik geef hem niet de kans wat te zeggen. Mijn woorden komen als vanzelf. Ik verhef mijn stem niet eens.
‘Je gaat toch niet doen alsof je verbaasd bent dat ik hier sta? Ik vraag twee keer of het zachter kan en jij denkt gewoon: zoek het lekker uit. Zielig mannetje ben je. Met je boxen in de tuin. Ga vooral je goddelijke gang. Maar goed luisteren. Nog één keer en ik bel de politie. Net zo vaak tot het jouw probleem is.’
De buurman stamelt iets van ‘ja’. Ik zie iets in zijn gezicht trillen voor hij haastig de deur weer dicht doet. Een moment later gaat de muziek uit. Snuivend en stampend ga ik weer naar mijn eigen huis. Klim in bed. Gooi de dekens over me heen.
De waas loste op. De slaap vertikte het om te komen. Nog uren later dacht ik na over wie er aan zijn deur had gestaan. De rode waas had alles opgebruikt. Ik voelde me alleen nog klein. Leeg. Stom.