Op de bank

Samen of alleen?

Ze zaten allebei in een hoekje.

Een heel stuk bank ertussen.


Ze nam een slok en keek naar hem over de rand van haar glas.

Hij keek tv.


Ze vroeg of hij ook wat wilde drinken.

‘Ja hoor.’

Ze zette het glas voor hem neer.

Ging weer zitten.


Haar hand zocht even over de zitting.

Hun plek.

Te ver weg.

Een steekje in haar borst.


Zachtjes kroop ze dichterbij.

Klom op zijn schoot.

Woelde door zijn haar.

Kuste zijn nek.

In haar hoofd.

Ze zuchtte.

Bleef zitten.