Op een dag beet ik verkeerd. Een scherpe pijn ging door mijn kaak. Auw. Ik voelde met mijn tong een kies die een beetje los zat. Niet veel. Ik wist meteen dat het niet goed was. Kwam het door mijn ziek zijn? Of door al die antibiotica?
Een mooi gebit had ik nooit. Scheve voortanden. Groot en verkleurd. Maar het waren wel mijn tanden. Ik wist dat ik naar de tandarts moest. Maar ik durfde niet. Ik droomde er ‘s nachts van. Dat ik ‘s morgens mijn tanden op mijn kussen zou vinden. Nog meer poetsen, spoelen, eten aan één kant. Het hielp natuurlijk allemaal niks.
De tandarts zei dat ik moest gaan zitten. De assistente pakte zacht mijn hand terwijl de tandarts uitleg gaf. Bruggen en plaatjes. Of trekken. Het resultaat zou hetzelfde zijn. Geen tanden meer. Thuis keek ik door mijn tranen heen in de spiegel. Tanden in een bakje. Een verrimpeld ingevallen mondje. Dat zou mijn nieuwe zelf zijn. Ik zou nooit meer mooi zijn. Nooit meer vrouw. En nooit meer kunnen zoenen.
Letterlijk verdoofd ging ik uiteindelijk naar het ziekenhuis. Veel bloed. Het geluid van mijn tanden in een metalen bakje. Eén voor één. Ik gilde zonder geluid. Buiten mezelf. Boven en onder gingen er plastic tandjes overheen.
En zo ging ik naar huis.
Daar at ik eten uit potjes. Durfde ik niet meer in de spiegel te kijken. Want wie keek er dan terug? Hardop las ik mezelf voor. Leren praten. De angst bleef. Wat als ik moest niezen? Eten op het werk?
Iedereen zou het zien.
Mijn lippenstift liet ik liggen.
Ik zag het nut er niet meer van in.
Het duurde jaren.
Met aanpassingen.
Zonder handleiding.
Toen kwam er een dag dat ik mijn tanden weer bloot lachte. Zomaar. En ook een dag dat ik niet meer de hele dag aan ze hoefde te denken. Ineens.
Ik heb geleerd weer te eten, te zoenen en te lachen. Ook in de spiegel.
Met lippenstift.
En als iemand me nu zou zeggen: Hé. Jouw tanden zijn niet echt.
Dan antwoord ik: Dat kan. Maar ze zijn wel heel erg van mij.
Reactie plaatsen
Reacties