Blauwe veren

Gepubliceerd op 16 februari 2026 om 15:15

Hier moet jij voor zorgen, zei ze zachtjes en dringend terwijl ze haar gesloten handjes naar de mijne bracht. Heel voorzichtig, alsof het een kostbaar geheim was, gaf ze het aan mij. Nog voor ik het kon zien voelde ik iets zachts, iets warms, dat tegen mijn huid kriebelde. Ik hield mijn adem in terwijl het meisje alweer weg rende.

Het was roze, een beetje verkreukeld en heel klein. Meer pootjes dan lijfje. En een snaveltje dat probeerde een geluidje te maken. Verwonderd nam ik ieder detail in me op. Mijn duim bewoog richting zijn hoofdje om het zachtjes te kunnen strelen. Ik durfde niet, straks deed ik hem pijn.

Net uit het ei, uit een boom gevallen en zonder moeder. Hoeveel kans maak je dan precies?

En nu moest ik zorgen dat dit roze kreukeltje een vogel werd?

Hij kreeg een nestje in een rieten mand op de logeerkamer. Uren zat ik er naast. Met boeken over vogels en prutjes die ik hem aanbood. Hij wist precies wat hij nodig had. Ik bleef klungelen en wanhopig proberen. Tot hij fanatiek zijn snaveltje opendeed als ik binnenkwam en ik die dankbaar vulde. Iedere keer.

Voor mijn ogen veranderde het roze dingetje in een donzig bolletje dat groeide en groeide en toen zijn dons inwisselde voor beige en blauwe veren. Mijn doel om hem in leven te houden had hij allang ingehaald. Ik was nog niet zover. Ik kon alleen maar blijven staren naar zijn prachtige kleuren en de flinke klauwen waarmee hij zich op mijn arm hees. Nu mocht ik hem zachtjes strelen terwijl hij me scherp aan bleef kijken. Hij had me vast. Mijn Vlaamse Gaai. Voor even.

De volgende keer dat ik de deur naar zijn kamer opende zweefde hij vanaf de gordijnroede schreeuwend naar me toe. Met wild klapperende vleugels landde hij op mij. Kuifje omhoog. En ineens begreep ik het. Dat hij dacht dat ik zijn moeder was. Dat ik dat nooit kon zijn of geweest was. Wat had ik gedaan? Hij hoort niet in een klein kamertje. Hij past er niet eens in.

Vastbesloten belde ik de vogelopvang, klaar voor stevige kritiek. Maar die bleef uit. Ze begrepen het wel. En belangrijker, er was plaats voor hem. Een andere Vlaamse Gaai was binnengebracht met een gebroken vleugel. Ze zouden samen kunnen optrekken voor ze vrijgelaten zouden worden. En zo vertrok hij, in zijn rieten mand.

Een paar weken later kreeg ik een kaartje. Dat het goed met hem ging en hij was vrijgelaten.

Ik zag het voor me.

En als ik nu een Vlaamse Gaai zie dan kijk ik. Omdat het lijkt of hij me opzoekt.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.