Mijn studie heb ik niet af kunnen maken. Daarna kreeg ik 683 verschillende banen om ergens te komen. Waar dat dan ook mag zijn, want dat weet ik nog steeds niet.
Ik vraag mezelf nog regelmatig af wat ik later wil worden. Dat is tegelijk tragisch en hoopvol. Ook mijn rekeningen moeten betaald worden, maar ik vertik het om mijn dromen te laten varen. Ik heb ze daarom verplaatst naar mijn vrije tijd. Daar krijgen ze mijn aandacht. Die van een baas hebben ze niet nodig, vind ik.
Dat ik kan werken is iets waard. Niet alleen omdat het moet, maar omdat ik ervoor kies. Ik ben gezond genoeg om bij te dragen, al kost het me soms meer dan je aan de buitenkant ziet.
Al dat ‘ergens willen komen’ heeft me door de banen heen geleerd dat er grenzen zijn. Niet alles wat ik kan, is ook wat ik wil. En al helemaal niet wat ik zou moeten willen.
Je werkt om te kunnen leven. Maar ik ben niet de enige die dat soms vergeet. In een organisatie waar ik werkte werd een nieuwe bezuinigingsronde aangekondigd. De sfeer veranderde onmiddellijk. Er werd minder gelachen. Mensen hielden hun kop laag. En als je in die sfeer wordt gevraagd voor een één op één gesprek in een klein kantoortje, dan houd je je krampachtig vast aan de deurpost.
Ik weet dat, want ik zat in dat kantoortje. Het gesprek bleek geen gesprek, maar een mededeling. Onomkeerbaar. Ergens onderweg, tussen deuren die niet opengingen, raakte ik mezelf kwijt. Met mijn ziel onder mijn arm probeerde ik het tij te keren, maar mijn kritische vragen trokken de boel steeds verder op slot. Ik kreeg het label ‘weinig flexibel’ en ‘behoorlijk lastig’ en ik moest er verder zelf maar over nadenken.
Dat heb ik gedaan. En toen besloot ik dat het tijd was voor baan 684. En als ik deze keer word uitgenodigd voor een gesprek dan hoop ik dat zij aantoonbaar kunnen maken dat hun organisatie echt bij mij past.
Reactie plaatsen
Reacties